Een leven op straat gegooid


Door Susanne Thomas

Ik open mijn voordeur en zie losse papieren, kapotte spullen en andere rommeltjes in mijn tuin alsof ze door de wind zijn meegenomen. Ik kijk op en zie een matras, wat oude televisies en ingelijste posters op de straat liggen. Er worden spullen uit een raam gegooid. Ik hoor glas uiteen spatten op de straatstenen. Het scherpe geluid steekt en doet mijn hart even ineen krimpen.

In januari overleed mijn overbuurman, een markante persoonlijkheid uit mijn complexe wijkje vol sociale huurwoningen. Heel wat ruzies, overlast en bedreigingen hebben het leven van deze buurman en andere omwonenden getekend. Mijn contact met hem beperkte zich tot een praatje hier en daar en was wat intensiever toen ik deelnam aan de bewonerscommissie rondom een renovatie een aantal jaren geleden. Via een oud-buurman hoorde ik dat hij ziek was, ernstig. Dat hij was overleden in een hospice nadat hij ervoor koos euthanasie te plegen. De uitvaart had in besloten kring plaatsgevonden. Volgens mij waren de familiebanden van deze buurman niet heel sterk, anders zou het huis toch niet op deze manier uitgeruimd hoeven worden, denk ik bij mezelf. Ik denk dat de huurbetaling nu, maanden later, pas is stopgezet en dat er plaats gemaakt moet worden voor een nieuwe huurder.

Dus wordt zijn matras de trap afgedonderd en op straat gegooid. Het voelt respectloos. Hij was een mens, zijn leven hoort niet zo op straat te liggen. Papieren van de sociale dienst, omdat hij niet meer werken kon, omdat zijn hele lichaam kapot was van de reuma. De televisie die hij heeft gebruikt om zich te laten ontroeren en vermaken. Het matras waar hij op sliep en de liefde heeft gekend. Het hout waarmee hij zijn stek helemaal naar zijn eigen zin had verbouwd. Dat zag ik toen ik eens een borreltje bij hem ging doen. Al zijn bezittingen worden neergegooid op de plek waar altijd zijn auto stond, behalve in de zomermaanden omdat hij dan in Frankrijk verbleef. Daar ging hij naartoe omdat dankzij de warmte zijn lichaam minder pijn deed.

Door het uitblijven van een bericht en een uitvaart, bleef ook mijn eigen rouwproces uit. Niet dat we nou zo’n stevige band hadden, maar het was wel mijn buurman waarmee ik altijd een praatje maakte, die ik om advies vroeg bij het klussen en waarbij ik soms bemiddelde als er een irritatie in de buurt was. Als er een uitvaart was geweest, zou ik er naartoe zijn gegaan.

Toen ik bij de buurvrouw een pakketje ophaalde en zijn huisraad zag liggen, raakte het me. Het was alsof mijn rouw zich ineens aandiende. Dat er een dienst is, in de vorm van een ontruiming. Mijn gedachten gaan naar hem uit en een traan biggelt over mijn wangen.

Een andere buurman, die hem goed kende en al wat langer in deze straat woont, ziet mijn verdriet en geeft me plots een aai over mijn rug. Het is coronatijd en ik ben al ruim een maand niet aangeraakt. Ik schrik ervan. Hoe fijn dat voelt, hoeveel troost het me geeft en hoe zo een aanraking voor een gevoel verbinding kan zorgen. Dat we hier toch samen staan om afscheid te nemen, met wrange bijsmaak.

Dag lieve buurman, rust zacht.


Nog meer Dakhaas